Overgangsmaatregel
Hoe werkt de overgangsmaatregel?

Als u op 1 januari 2005 al deelnemer was van het hervormde, het gereformeerde of het evangelisch-lutherse pensioenfonds dan valt u onder een overgangsmaatregel. Deze is bedoeld om het verdwijnen van de VUT te verzachten, met name voor de op dat moment al wat oudere predikanten.  U kunt alleen gebruik maken van de overgangsregeling als u tot uw pensionering deelnemer van het pensioenfonds bent.

Door deze overgangsregeling kunt u op 63,5 jaar met pensioen tegen voorwaarden die gunstiger zijn dan die van de huidige pensioenregeling. Hoe ouder u op 1 januari 2005 was, des te gunstiger de voorwaarden. Maar: de overgangsregeling kost u wel (een deel van het) partnerpensioen.   

Hieronder de details.    

Wat biedt de overgangsmaatregel?
Voor wie onder de overgangsregeling valt geldt: u kunt op 63,5 jaar met pensioen zonder dat uw ouderdomspensioen in verband met de vervroeging actuarieel verlaagd wordt. U bouwt alleen wel anderhalf jaar minder lang pensioen op. Daardoor valt uw pensioenuitkering wat lager uit. Maar wat u op uw 63,5ste heeft opgebouwd en eigenlijk vanaf uw 65ste uitgekeerd zou hebben gekregen, krijgt u nu vanaf uw 63,5ste.  

Daarbovenop krijgt u tot uw 65ste een tijdelijk overbruggingspensioen omdat u tot dat moment nog geen AOW ontvangt. Het tijdelijk overbruggingspensioen bedraagt per dienstjaar 1,75% van de franchise (het deel van uw traktement waarover u geen pensioen opbouwt omdat de AOW daarin geacht wordt te voorzien plus een compensatie voor de hogere inkomstenbelasting). Het komt erop neer dat uw totale pensioen tot uw 65ste niet gerelateerd is aan uw pensioengrondslag (uw traktement minus de franchise), maar aan uw gehele traktement. Vanaf 65 jaar stopt het tijdelijke overbruggingspensioen. U ontvangt dan AOW.  

U kunt ook eerder of later dan op 63,5 jaar met pensioen met gebruikmaking van de overgangsregeling, maar uw pensioen wordt dan uiteraard wel lager of hoger. Elke pensioenleeftijd tussen 60 en 65 jaar is mogelijk. Ook is het mogelijk om in deeltijd gebruik te maken van de overgangsmaatregel. Stelt u uw pensioendatum uit tot na 65 jaar, dan vervalt voor u de overgangsmaatregel.  

Wat kost de overgangsmaatregel?
Er zit een belangrijk bezwaar aan de overgangsmaatregel: het kost u een deel van of zelfs het gehele partnerpensioen. Het partnerpensioen is de pensioenuitkering die uw partner levenslang krijgt na uw overlijden. Welk deel van het partnerpensioen u moet inleveren is afhankelijk van uw leeftijd: hoe jonger u was op 1 januari 2005, des te meer partnerpensioen moet u inleveren om van de overgangsmaatregel gebruik te maken. Zie daarvoor de tabel hieronder.  

Realiseert u zich wel dat het partnerpensioen zeer belangrijk kan zijn voor de inkomenszekerheid van uw partner. U kunt dan weliswaar eerder met pensioen, maar na uw overlijden betaalt uw partner het gelag. Alleen als u geen partner heeft, of als de inkomenszekerheid van uw partner op een andere manier geregeld is, zou u kunnen afzien van partnerpensioen. Is dat niet het geval, dan zou u eigenlijk moeten bijsparen om het verlies van het partnerpensioen te compenseren. Een andere manier om het verlies te compenseren is om op uw pensioendatum het partnerpensioen te verhogen door een deel van uw levenslange ouderdomspensioen uit te ruilen.  

Hoe pakt de overgangsmaatregel in mijn geval uit?
In deze tabel kunt u zien hoeveel partnerpensioen u moet inleveren om gebruik te kunnen maken van de overgangsmaatregel. In de pensioenplanner is de overgangsmaatregel al verwerkt.